Kakadu and Litchfield
5 november 2012 - Darwin, Australië
Het is al weer een lange tijd terug dat ik een reisverslag heb geschreven. Niet omdat er niks te beleven is; meer omdat we zoveel gedaan hebben dat we geen tijd hadden om te schrijven.
Mijn vorige verhaal eindigde in Katherine, waar we voedsel en brandstof hadden ingeslagen voor Kakadu National Park. Dit is een uitgestrekt gebied, afgelegen, met nog veel tekenen van aboriginal cultuur. Om het park te betreden moet je een toegangspas kopen, á 25 dollar, maar deze is wel geldig voor 14 dagen, en dat kun je er makkelijk doorbrengen. Wij hebben het wat sneller gedaan, maar wel vrijwel alles gezien.
Bij het informatiecentrum waar we onze toegangspassen kochten kregen we veel informatie over het park; waar je wel, en zeker niet, kunt zwemmen, en goede kampeerplaatsen. De enige locatie die aangeraden wordt om te zwemmen is het zwembad in Jabiru. In de rivieren komen de salties voor, en de populaire watervallen zijn “crocodile management zones”; na het regenseizoen zijn er krokodillen, maar deze worden gevangen en ergens anders weer uitgezet, en ze zijn er vrij zeker van dat ze de meeste hebben. Zwemmen op eigen risico. Als eerste zijn we gestopt bij een kleine waterval die verder niet aangegeven stond, maar schijnbaar de veiligste was om in te zwemmen. Daar aangekomen was het een troebel beekje, waar je de bodem niet van kon zien. Ik ben er even in geweest, lekker verkoelend op de warme dag, maar niet echt ontspannend zwemmen. Vervolgens zijn we naar de Gunlom Falls gegaan. Een hoge waterval met een groot meer er onder, waar verschillende scenes van Crocodile Dundee zijn opgenomen. Je kunt er zowel onder als bovenop de waterval zwemmen. Melanie voelde zich niet zo lekker, en is in de schaduw gaan liggen, terwijl ik naar boven ben gelopen. Volgens de beschrijving een uitputtende wandeling van een uur (retour), maar binnen 7 minuten stond ik aan de top. Hier waren een paar kleine waterpoelen, in het droge seizoen stroomt er niet veel water, waarin je kon zwemmen met een geweldig uitzicht over de hele vallei. Je kunt er erg goed zien hoe alle rivieren stromen aan de donkergroene begroeiing tussen de uitgedroogde, gele omgeving. Dit gebied staat bij de aboriginals bekend als sickness-country, waar veel ziektes voorkomen. Niet geheel wonderbaarlijk, gezien de aanwezigheid van uranium, dat op grote schaal wordt gemijnd zo'n 60km verderop.
Yellow water is een moeras achtig gebied, met erg veel vogels, krokodillen en andere dieren. Uitstekend om van de natuur te genieten. Er is een boardwalk over het moeras, en nog geen 20 meter van waar we begonnen lag er een enorme krokodil vlak naast het pad, verscholen tussen de waterlelies. Een uitstekend begin voor de dag. Het was maar een korte wandeling, met voornamelijk vogels, en terug bij het begin een buslading kinderen. Vanaf een korte pier kon je nog verder over het water kijken, en overal zag je krokodillen net boven het water uit komen, en langzaam heen en weer zwemmen. De rust werd snel verstoord door alle kinderen, maar we zagen ook waarvoor ze gekomen waren. De rangers kwamen twee krokodillen loslaten die ze de dag ervoor gevangen hadden. Gaaf om van zo dicht bij te zien. Het was net the crocodile hunter, maar dan op 5 meter afstand. En als waarschuwing; 9 van de 10 keer rennen ze in het water, soms draaien ze om en komen ze deze kant op....ren dan weg.
De dag erna zijn we naar Jim Jim Falls en Twin Falls gegaan. We hadden 's nachts al gekampeerd aan aan het einde van de gravel road, zodat we 's ochtends vroeg op pad konden. Vanaf de camping een lifter meegenomen, aangezien beide watervallen aan het einde van een 4WD track lagen. Alleen om bij de Twin Falls te komen moest je water oversteken, van 65 cm diep. Na ons vorige avontuur durfde we dit niet meer aan, en hebben we bij het water gewacht op een lift. Na 2 minuten kwam de verlossing, van een engels stel met een huurauto. Ze hadden geen idee wat ze deden (kunnen wij wel door het water rijden? Hebben we een dieselauto? Ja, er staat D4-turbo diesel op de zijkant...), maar we kwamen aan op de bestemming. Vanaf de parkeerplaats is er een korte wandeling tot een bootje, dat je door de kloof tot dicht bij de waterval vaart. Vanaf daar is het nog een korte wandeling tot het einde, twee enorme watervallen naast elkaar. Een erg indrukwekkende locatie, omgeven door 150 meter hoge rotsen, met een smalle opening waardoor het bootje vaart. Helaas was het hier niet veilig om te zwemmen, maar als alternatief hadden ze douches geinstalleerd om af te koelen. Om terug te gaan moest je het bootje bellen; er was een oud blik aan een boom gespijkerd, met daarin een walkie-talkie. Echte Australische degelijkheid. Met een andere lift terug gegaan, nu met een Australiers met rijervaring, wat een stuk comfortabeler was. De Jim Jim Falls waren even hoog, maar hier was een diepe poel water onder waarin je wel kon zwemmen. Het mooiste was dat je tot recht onder het smalle stroompje water kon zwemmen, en dan recht omhoog kijken, en de druppels eindeloos ver naar beneden ziet vallen. Helaas was dit de laatste plaats waar je kunt zwemmen.
Na alle watervallen kom je in het noorden van het park, waar het vlakker is met uitgestrekte vlaktes en moerassen. Hier zijn we bij twee rotsen met aboriginal-art geweest. Bij beide waren er rondleidingen door rangers. De eerste ging vooral over aboriginals in het algemeen, met name over de verboden relaties; er is een ingewikkeld systeem om bloedlijnen zuiver te houden. Vanaf pubertijd mogen broers en zussen niet meer direct tegen elkaar praten, maar kunnen wel communiceren door anderen of door het in het algemeen te schreeuwen, wat verklaard waarom je regelmatig aboriginals op straat ziet schreeuwen. Ook is het niet toegestaan om met je schoonmoeder te praten; een ideale wereld. Alleen door het gebruik van alle generatie-namen, verschillend voor man en vrouw, met slechts een paar combinaties die zijn toegestaan, werd het er niet echt heel veel duidelijker op. Bij Ubirr zijn de bekendste rotsschilderingen van de omgeving, met weer een rondleiding. Hier ging het vooral over de kunst, en over hoe de tekeningen veel over de omgeving zeggen. De oude tekeningen, waar alleen de rode oker nog zichtbaar is, laten veel kangaroes zien, terwijl die er nu niet meer voorkomen. Toen de schilderingen gemaakt werden, ongeveer 8000 jaar terug, was het er een stuk droger. Recentere tekeningen zijn in rontgenstijl, waarin bruikbare lichaamsdelen van dieren zijn aangegeven. En tekeningen van de afgelopen 200 jaar vertonen schepen en geweren. De rondleiding was zo gepland dat je na afloop boven op de rotsen kon zitten om de zonsondergang te zien, met geweldig uitzicht over de uitgestekte vlakte.
Op de weg uit Kakadu richting Darwin zijn we gestopt voor een Jumping Crocodile Cruise. Dit was een van de dingen die we al langer wilde doen, en ons steeds werd aangeraden door iedereen die vanaf die kant kwam. Met gegarandeerd krokodillen. We zaten met zo'n 15 man op een klein bootje, de eigenaar aan het roer, een vrouw met een lange stok en een emmer vol vlees. De cruise was op de Adelaide River, een brede rivier vol met krokodillen. Elk heeft een eigen territorium van 75 tot 100 meter. Elke krokodil heeft ook een eigen karakter, en ze hebben allemaal een naam. Als eerste was er een hele kleine, die net zijn eigen gebied had geclaimd. Deze was een paar jaar oud, een meter lang, en kon met zijn hele lichaam uit het water springen. Schattig om te zien, alleen zal deze waarschijnlijk ook uitgroeien tot een van de vele onvriendelijkere soortgenoten. De overige waren namelijk iets groter, met de grootste meer dan 6 meter lang. En als ze dan 2 meter naast je in het water zwemmen is dat echt enorm. Deze springen niet uit het water, maar zwemmen rechtop, met hun halve bovenlijf uit het water. Super indrukwekkend om te zien, zeker van zo dicht bij.
Na ruim een week outback zijn we naar Darwin gereden, terug naar de beschaving. Na enig zoeken een kleine camping gevonden, die eigenlijk geen tenten accepteerde maar voor ons een uitzondering maakte. Aangezien we op dinsdag, cheaper tuesday, aankwamen, moesten we wel pizza eten. Toen we de dag erna op de camping kwamen met een grote magnetron-lasagna, kregen we spontaan een salada aangeboden van onze buren, die er voor wilde zorgen dat we onze vitaminen wel binnen kregen. Ik had ze nog niet gezien daarvoor, maar nog voordat we ook maar iets konden zeggen stond de schaal op onze tafel en was de buurvrouw terug in de caravan om een nieuwe salade te maken, en kwam de buurman klagen dat wij zijn eten aan het opeten waren. 's Avonds hebben we nog een uur bij hun voor de caravan koffie zitten drinken, en kregen we ook al een baantje aangeboden, al kunnen we pas na kerst beginnen met plukken, als we willen. Verder was er niet heel veel te zien in Darwin. Ik ben de ondergrondse olietunnels in geweest, een paar lange tunnels onder de stad die ze hebben uitgehakt voor WW2, maar eigenlijk nooit gebruikt zijn, en eigenlijk ook niet zo heel boeiend zijn. De oude gevangenis ging net dicht toen we er aankwamen, en zijn er in 15 minuten doorheen gelopen. Daar vlakbij is een oude Qantas-hanger, waar nu een hobbiegroepje een enorme verzameling gerestaureerde voertuigen en gereedschappen heeft staan. Naast de hanger, in het midden van de stad, loopt een grote 2x2 baanse weg, terwijl er vrijwel geen verkeer over heen rijdt; dit is de oude landingsbaan. Zo degelijk gemaakt dat het te veel moeite was om te verwijderen, en er zijn alleen wat bomen in het midden geplant.
Vervolgens zijn we naar Litchfield National Park gereden. Volgens vele is het vergelijkbaar met Kakadu, maar alles dichter op elkaar. Wat wij vooral zagen is dat de mensen dichter op elkaar zitten. De eerste dag reden we het park in van de achterkant, waar niet veel mensen komen, er is ook weinig te doen. Er is een oude tinmijn, nu herkenbaar aan de berg roest in een bos. De volgende dag gingen we naar de Florence falls, een kleine waterval, verscholen achter een massa mensen. Alle rotsen om het water waren bedekt met handdoeken, en er waren tientallen mensen in het water. Ook de andere zwemlocaties waren overvol. Ook hier was er een rondleiding van een ranger, hier ging het over termieten. In Litchfield zijn de bekende magnetic termite mounds, dunne heuvels die allemaal van noord naar zuid wijzen. Van een afstand ziet het er uit als een veld vol enorme grafstenen. Naast de magnetische heuvels zijn er ook gewone, ook deze in enorme afmetingen, van wel 5 meter hoog.
's Avonds hadden we het laatste campeerplaatsje bij de Wangi Falls. Weer een waterval. Hier was ook een boardwalk in de jungle, waar je overdag mee naar de top van de waterval kon lopen. Wij hadden bedacht dat dit waarschijnlijk veel gaver was in het donker, aangezien er dan meer dieren zouden moeten zijn. Dus nieuwe batterijen in de zaklampen, hoofdlampjes op, reservelamp mee, en in het pikdonker een stuk van de route gelopen. Het was vooral oppassen voor spinnenwebben, die over het pad werden gemaakt, maar verder geen wild dier gezien. 2,5 uur gelopen en geen spannende verhalen.
Na Litchfield en Kakadu is er eigenlijk weinig anders te doen aan de noordkust, dus zijn we begonnen aan een lange reis naar de oostkust. Aangezien het 2500 km dor landschap is, hadden we een lift gegeven aan Sam, een Franse backpacker, om wat brandstofkosten te delen. Aangezien er vrij weinig te beleven is op de route, hebben we alles gedaan wat interessant klinkt. De eerste dag zijn we naar Mataranka geweest, een bron met warm water. Heerlijk om in te zwemmen, mooi gelegen tussen exotische palmbomen....vergeven met vleermuizen. Om ze enigsinds weg te houden is er een gigantische sprinklerinstallatie gebouwd, die niet alleen de vleermuizen verjaarg, maar ook om de 20 seconden ijskoud water over de bron sproeit. Daarna in het donker naar de eerste rustplaats gereden, waar we onze buren uit Darwin weer tegen kwamen. Deze keer geen salade, maar konden wel gebruik maken van hun tafel en stoelen.
Om van Darwin naar Cairns te rijden, volg je eerst de snelweg naar het zuiden, en dan is er een kruispunt met de weg naar het oosten. Alleen was er verder naar het zuiden nog iets dat we aan het begin van het jaar gemist hebben; the Devils Marbles. Grote ronde rotsen, in het midden van een vlak landschap. Dit was zo'n 110 km na de afslag, maar gezien de saaie route de omweg waard. Al blijft het vreemd om meer dan 200 km te rijden voor een stapel rotsen. Hier was ook de plaats Wycliff, the UFO-capital of Australia, een roadhous vol met alien-meuk. Tussen hier en Mount Isa was er verder niks te doen, al was er een national park met een enorm gat in de grond, een grot waar je niet in kon en ook niks in kon zien. Verder veel lange rechte wegen, soms een bocht, af en toe een tegenligger, soms een bushfire. In Mount Isa was er een ondergronds ziekenhuis uit de oorlog, een zelfde idee als de olietunnelsin Darwin. Een paar gangen in een berg, gevuld met houten bedden en een operatieplaats. Het was nooit echt gebruikt, maar recent in de oude staat hersteld, inclusief origineel gereedschap en flessen medicijnen. Het laatste stuk van de reis zijn we via Normanton gereden, over een 3 meter brede snelweg. Er is hier zo weinig verkeer dat het niet nodig is om meer banen te maken; je moet maar de berm in voor tegenliggers. Toch vreemd op een weg waar je 110 mag rijden. Verder: nog steeds een saaie route. Meer rechte weg, nu met bomen er omheen. En meer bochten, maar minder tegenliggers. Dicht bij de oostkust eindelijk veranderingen. Alles was groen, veel heuvels, veel bochten, en veel verkeer. En het was ineens koud in de auto. Na de enorme hitte in Western Australia en the Northern Territory, waar 45 graden niet uitzonderlijk was, was de 35 graden bij de kust lekker verfrissend. Het laatste stuk van de route gaat van de Atherton Tablelands naar Cairns, via een eindeloos lange slingerweg met uitzicht over de oceaan. In Cairns hebben we Sam afgezet bij een hostel en zijn Melanie en ik naar een camping gegaan. We wilden werken in Cairns, en ongeveer een week op zoek geweest, maar niks kunnen vinden. Alleen een plaats 3 uur landinwaards, in the middle of nowhere, waar we misschien watermeloenen konden plukken, een week later. Maar geen zin om daar op te wachten, dus zijn we na verder naar het zuiden gereden. Op Gumtree (Australische versie van marktplaats) stonden regelmatig advertenties voor plukkers in Bowen, en daar aangekomen bij de tweede boerderij had ik een baantje gevonden als tomatenplukker. Ik kon de volgende dag, om 6 uur 's ochtends beginnen, voor AUD 1,80 per emmer. In eerste instantie was het niet zo heel slecht, de eerste dag had ik 44 emmers, de dag erna was ik al sneller en had er 64, maar veel sneller ging het niet (al was er een Chinees die 170 emmers op een dag had...). Overal hadden ze wel een excuus waarom er zo weinig was; het was te vroeg, te nat, een late pluk, de goede waren al weg, of nog niet rijp. En het waren emmers van 20 liter, die niet zo snel vol zitten. Ik werkte steeds samen met Lee, een Chinees die al een seizoen eerder had geplukt, en hij plukte ongeveer 1 emmer per uur meer dan ik. De enige truc om het sneller te toen was bucket-tipping; als je emmer vol is, zijn de tomaten iets aangezakt doordat je er mee loopt. Als je je emmer overkiept in een andere, zakken de tomaten niet en past er ongeveer een kilo minder in een emmer, terwijl je er evenveel voor betaald krijgt. Na 4 dagen had ik al meer dan genoeg van de tomaten, en aan het eind van de vijfde dag ben ik gestopt. Ik had geen zin meer om voor 10 dollar per uur een emmer met 20 kilo tomaten door de modder te slepen, terwijl ik af en toe een tomaat kon plukken, die altijd 10 cm boven de grond hingen.
Aangezien Bowen een aangename plaats was zijn we op zoek gegaan naar ander werk daar, maar eerst een lang weekend gehouden. Er zijn verschillende stranden waar je goed kunt snorkelen, elk met koraal vlak bij het strand. Het zicht was alleen slecht in het begin, maar als nog roggen en schildpadden kunnen zien. Ook is er een lange pier waar vanaf je veel schildpadden kunt zien zwemmen. Naast de pier is een groot leeg grasveld, waar enkele jaren geleden Australia is opgenomen, en het is duidelijk te zien dat de stad er trots op is. Overal foto's van de havenstad die ze toen tijdelijk gebouwd hebben; nu is er alleen nog een vervallen gevel van het politiebureau over. Ook moesten we de registratie van de auto vernieuwen, waarvoor de voorruit eerst vervangen moest worden. De barst was goed gegroeid de laatste weken. Gelukkig werd de auto goedgekeurd, en kunnen het komende half jaar zonder zorgen rijden. Ook hoeft de auto niet meer gekeurd te worden, maar kan de registratie online gedaan worden.
Helaas was er verder geen werk te vinden in Bowen, overal kwamen we wel ergens op een lijstje te staan, zodat ze je kunnen bellen mochten ze mensen nodig hebben, maar dat gebeurd nooit.
In een verdere zoektocht naar werk zijn we verder naar het zuiden gereden, naar Bundaberg. Een stad omgeven door suikerriet (al groeit dat overal totaan Cairns), de basis voor de rum die overal gestookt wordt. Ook hier weer langs tientallen boerderijen gereden, maar overal geen succes, alleen op nog meer lijstjes geeindigd. We zijn wel wat andere backpackers tegen gekomen, die wel werk hadden, tomaten en courgette plukken, maar verdienden nog minder dan ik in Bowen deed. Uiteindelijk zijn we hier ruim twee weken gebleven, en alles in Bundaberg gezien. Er is vrij weinig te beleven. Er is een bibliotheek met gratis internet, een paar aangename stadsparken met barbecues, en een zwembad met warme douches. Hier zijn we een paar keer geweest, alleen voor de douche, en zonder het zwembad te zien weer vertrokken.
Een dag zijn we uit verveling naar Hervey bay gereden. Vorig jaar ben ik vanuit hier vertrokken naar Fraser Island, en het was leuk om weer terug te zijn. Alleen dit jaar hebben we een whale-watch-tour gedaan. Op een grote boot vaar je door de baai, waar in deze tijd van het jaar walvissen met hun jongen komen. Ook al was het seizoen al bijna afgelopen, er waren nog steeds tientallen walvissen te zien. Sommigen kwamen alleen boven water om te ademen, en waren snel weer uit zicht, andere waren aan het spelen en waren erg goed te zien. De meeste waren met hun staart op het water aan het slaan, wat ze gebruiken om roofdieren te verjagen. Nu werd het vooral gedaan om het aan de jonge te leren. Je zag de moeder het een aantal keer doen, en dan kwam de kleine staart van het jong boven water en deed het zelfde. Ze zijn niet schuw en komen tot op meters afstand van de boot. En ook al zie je vooral de staart, deze is nog steeds 3 meter breed, en je kunt je erg goed voorstellen hoe groot de rest van het dier is. Een paar keer sprongen ze compleet uit het water, echt supergaaf om van zo dichtbij te zien.
Na ruim twee weken rond Bundaberg te hebben rondgehangen zijn we naar Rainbow Beach gereden. Een erg mooi strand, en het dorpje is gelegen in het zelfde National Park als Fraser Island, met overal fijn wit zand. Hier hebben we 3 dagen gekampeerd op Inskip Point. Onze tent stond in de duinen, met uitzicht over het strand, de zee en Fraser Island. We waren van plan om maar een dag te blijven, maar tot 2 keer toe werden we wakker met het uitzicht, en besloten we om nog maar een dagje te blijven. En niet alleen het uitzicht was goed, je mocht er ook nog eens op het strand rijden. Gaaf om weer eens te doen. We waren het al verleerd. Onze camping was een 4WD camping, met een erg diep zandpad als toegangsweg. En nog geen 30 meter van de verharde weg zat ik al vast, en konden we de auto weer uitgraven. Met het losse land was dat erg vervelend, aangezien alles meteen weer terug stroomt. En gezien het zand overal op het gras waren we niet de eerste die daar vast kwamen te zitten. Gelukkig was de auto na 20 minuten weer bevrijdt.
Nu zijn we in de Gold Coast, en hebben we net onze rugzakken ingepakt. Morgen vertrekken we namelijk naar Thailand! Het stond niet in de planning, maar Melanie's vise verloopt en ze kan alleen een nieuwe aanvragen vanuit het buitenland. En Thailand klonk wel goed. 2 Weken geleden hebben we tickets geboekt naar Phuket, en vanuit daar zien we wel wat we gaan doen. We blijven daar 16 dagen, en als we terug komen gaan we naar Young, waar we kersen gaan plukken.
Cheers
Bonusverhaal:
The eagle has landed
Warning:
bevat confronterende details
niet geschikt voor jeugdige lezers of mensen met een zwakke maag
de auteur stelt zich niet aansprakelijk voor nachtmerries/slapeloosheid/ander leed veroorzaakt door dit verhaal
Op de afgelegen wegen in Australia is roadkill vaak het enige teken van leven. Je kunt er uren rijden zonder andere weggebruikers tegen te komen, maar om de paar minuten passeer je wel een slachtoffer van het weinige verkeer. Kangaroes zijn namelijk niet zo goed in staat om te kijken of het veilig is om over te steken. Vele hebben het loodje al een lange tijd terug gelegd, en zijn alleen herkenbaar als een wit hoopje botten, anderen liggen half-rottend naast de weg. Deze zijn vooral herkenbaar aan de geur; je ruikt ze lang voordat je ze ziet, en de lucht blijft nog langer in de auto hangen nadat je er voorbij bent gereden.
Het grootste probleem van roadkill is vaak dat de slachtoffers blijven liggen op de plaats van het ongeluk; midden op straat. Vrachtwagenchauffeurs remmen niet af voor een overstekende kangaroe, en als ze er een aanrijden stoppen ze niet om ze van de weg af te slepen. En een hoop vlees op de weg is niet alleen erg slecht voor je auto (je kunt een gemiddelde auto total-loss rijden op een kangaroe; ook op een dode), het trekt ook aaseters aan.
Vaak nog voordat je een vers exemplaar van roadkill kunt ruiken, kun je al raden dat er iets ligt te zonnen op de weg aan de zwerm roofvogels boven de weg. En in tegenstelling tot kangaroes zijn roofvogels over het algemeen wel zo snugger om op tijd de weg te verlaten als er een auto aankomt. Maar wij kwamen dus net de uitzondering tegen.
Op weg naar Cairns was een zwerm roofvogels bezig de restanten van een kangaroe van de weg te schrapen, terwijl wij daar met de auto aan kwamen rijden. En zoals altijd, waren ze allen van de weg voordat wij er waren, dus geen rede om ook maar het gas los te laten. Alleen een wedge-tailed eagle vond het nodig om op het laatste moment (of eigenlijk; net iets daarna) voor de auto langs naar de andere kant te vliegen.
Na een harde klap toch maar vol op de rem gegaan, met in de zijspiegel een steeds kleiner wordend nieuw exemplaar van roadkill. Wat je moet doen als je iets aanrijdt is stoppen, teruggaan, het van de weg afhalen zodat de aaseters veilig kunnen eten, en zorgen dat het goed dood is. Dus ik ren terug, en vlak voordat ik de adelaar op kan pakken, vloog het nog een paar meter verder. Alleen het was niet echt in staat om verder te vliegen (zijn hersenen stroomde door zijn neus naar buiten...), maar wilde ook weer niet meteen dood gaan. Dus we moesten het uit zijn lijden verlossen; gelukkig hebben we een ijzeren staaf in de auto.
Nu hebben we een regel in de auto; If you kill it, you have to eat it. Dus de adelaar ging in een plastic zak in de koelkast als appetiser voor het avondeten. Eenmaal aangekomen op onze kampeerplaats zijn we begonnen aan de bereiding. Eerst de vleugels er af gesneden, daar zit toch geen vlees in, en toen de veren er uit getrokken. Echt een eindeloos werk; er zat een dikke laag kleine donsveertjes, genoeg om een kussen mee te vullen. En na een kwartier plukken blijft er bijna niks over; een zielig klein vogeltje, met 2 dunne pootjes (wel een en al spieren) en 2 stukjes vlees geschikt om op te eten.
Voor iedereen die al bezig is een kerstmenu samen te stellen; de vogelpoten waren ongelovelijk oneetbaar. Hard, taai, smakeloos vlees, misschien geschikt om soep van te maken, maar je kunt beter kippenpoten serveren. Maar de andere stukken vlees waren zo goed. Erg rood mals vlees. Het kost wat moeite om te verkrijgen, maar het is zo lekker. Beter dan eend en elk ander vliegend dier dat ik ooit op heb. Jammer dat ze zo klein waren, en we het met zijn drieen moesten delen.
Ondanks de voortreffelijke maaltijd hebben we wat slechte herinneringen aan deze dag: de vogel was met zijn hoofd door de koplamp gevlogen, en had een mooi gat achter gelaten. Tape was een goede tijdelijke oplossing, maar voor de keuring moest het fatsoenlijk gemaakt worden. Alleen is Melanies auto een import, waarvoor er bijna geen reserve-onderdelen te verkrijgen zijn in Australia. De standaard lampen (van 10 dollar) hier hebben niet de juiste bevestiging, en er was geen sloper met een tweede-hands lamp. Ze konden een nieuwe bestellen, vers uit Japan, voor 700(!) dollar. Uiteindelijk heeft een sloper de lamp uit de auto gehaald, de glas eraf gepeuterd, een andere lamp uit elkaar gehaald en het nieuwe glas op het oude frame gelijmd. Een halve dag werk en 100 dollar lichter door een suicidale vogel.

Plezier in Thailand, zo aan het begin van het Tsunamiseizoen (ook avontuurlijk), alvast fijne verjaardag (je cadeau wordt op de 8e vanzelf op je rekening bijgeschreven) en tot skypes.
Wat een lang verhaal weer. Zo te lezen vermaak je je daar nog wel.
Heel veel plezier in Thailand en alvast gefeliciteerd met je verjaard :)
Weer te gekke verhalen leuk om te lezen
Ik wens jullie veel plezier in Thailand ik denk dat jullie net als wij verliefd worden op het land en op de super vriendelijke mensen
geniet ervan en eigenlijk ben ik nu wel een beetje jaloers
liefs Bert en Irma
Wow, klinkt allemaal super mooi! En erg leuke foto's. Die walvissen zijn ook echt super vet!
Heel veel plezier in Thailand. Ik ben ook echt wel jaloers.. Laat maar weten wat je allemaal gaat doen vanuit Phuket.
Groetjes