The Red Centre

23 februari 2012 - Uluru, Australië

Zaterdag 7 januari was mijn laatste dag in mijn kamer in Sydney, en de eerste dag van mijn roadtrip door half Australia. Mijn koffers ingepakt; volgens mij heb ik veel meer zooi dan een half jaar geleden, paste maar net, en last-minute geregeld dat ze bij mijn begeleider konden staan tijdens mijn trip (al eerder geregeld, maar Rob kwam zelf pas om 7 uur 's ochtends terug van een maand UK). Aan het begin van de middag een korte vlucht (2 uur) van Sydney naar Adelaide, waar ik anderhalf uur later aankwam.... voor de meest onduidelijke rede hebben ze hier een half uur tijdsverschil. Melanie stond al te wachten en niet veel later reden we de stad uit op weg naar Hahndorf; een Duitse stad, vol met Duitse Biergarten, winkels met koekoeksklokken, Duitse producten, Currywurst etc. Het kwam Melanie allemaal erg bekend voor. Helaas was het weer wat omgeslagen de dag dat ik aankwam; geen 40 graden, maar 25 en bewolkt. En onvermijdbaar; op weg naar de restarea een enorme stortbui waarbij de wegen binnen minuten onder water stonden en je nog maar 20 meter vooruit kon kijken. En het hield niet op. Omdat het ondertussen toch etenstijd was, en we nergens konden schuilen voor de regen, de brander in de auto, op de koelkast gezet en met de ramen open onze pasta gekookt. Nog een van de voordelen van een grote auto.

De dag erna druk bezig geweest om de trip voor te bereiden. De auto had een paar dagen ervoor al 2 nieuwe banden gekregen, roofrack zat op zijn plaats maar was nog vrijwel leeg. Binnen een halve dag was het gevuld met een schep (voor het geval dat we de auto uit moeten graven...), tentstokken om het regen/zonnescherm mee op te zetten, 3x20 liter jerrycans voor benzine, nog een 10 liter jerrycan water (naast de 10L, 12L en zo'n 10L aan losse flessen die we al hadden) en een 2de stoel. Daarnaast nog genoeg voedsel ingeslagen voor een half weeshuis, aangezien Adelaide de laatste grote stad in een lange tijd zou worden.

Op maandag begon de roadtrip pas echt en reden we de eerste kilometers van de 1600km naar Uluru. De eerste paar uur nog door (enigsinds) bewoonde wereld, met af en toe nog steden en dorpjes langs de weg, maar in Port Augusta begon de echte outback. Aan de rand van de bewoonde wereld kun je kiezen tussen de 3000km naar Darwin of de 3000km naar Perth. Wij kozen voor de Stuart Highway richting Darwin, waar we, 1022km later, de afslag naar Uluru konden nemen.

De weg was lang niet zo saai als je verwacht. Glooiend door het landschap, waar het steeds droger wordt, ramen open en de muziek hard, en met 100km/h de weg volgen. Op het verkeer hoef je niet echt te letten, de enkele auto of roadtrain die je tegen komt (soms, als het druk is, wel om de 5 minuten een tegenligger op de snelweg) begroet je vriendelijk door je hand op te steken. Alleen oppassen voor de dieren op de weg; niet veel kangoeroes, maar veel koeien. Bij elke bezienswaardigheid gestopt, van een uitzichtpunt vanwaar je het zelfde ziet als vanuit de auto (met een enorme parkeerplaats) tot grote zoutmeren verscholen achter de Ghan, de spoorweg van Adelaide naar Darwin. En tijdens een van de ochtenden weer de behulpzaamheid van de outback-Aussies meegemaakt. We hadden gekampeerd op een parkeerplaats, zo'n 80 meter van de snelweg, en voordat we vertrokken toch maar even de olie gechecked. De enige auto die op dat moment langs reed, stopte midden op de weg, keerde en reed de parkeerplaats op om te vragen of alles goed ging met de auto!

De enige grote plaats op onze route was Coober Pedy. De droogste en heetste plaats van onze route; totaal geen begroeiing, alleen droog zand. En als resultaat van de opaal-mijnen ziet het er uit als een slagveld; overal bergen zand en rotsen, kuilen en tunnels in de grond en overal roestige machines. Een deel van de huizen en winkels is ondergronds gebouwd, maar natuurlijk was alles dicht toen wij er waren. De rest van de huizen is gemaakt van roestige golfplaten en heeft ten minste 4 totaal afgeragde auto's ergens om het huis, waar ze langzaam wegroesten. De meest spectaculaire attractie hier was de waterpomp, waar je voor 20 cent 2 minuten lang drinkwater kon tappen; net een tankstation maar dan erg goedkoop. Na het korte bezoek aan Coober Pedy de eerste van vele dirtroads gereden, richting the dog fence, een 5600km hekwerk dwars door Australia om dingo's weg te houden van de schapen. Vervolgens een stuk lang the dog fence gereden naar the Breakaways, okerkleurige heuvels met een prachtig uitzicht over het lege, droge landschap.

Op woensdag, eind van de middag, na 3 dagen rijden, eindelijk aangekomen bij Uluru. De laatste 30 km was echt super op te rijden. Je ziet de rots uit de grond oprijzen, en bij elke bocht die je dichter bij komt realiseer je je hoe groot het is. Ruim 9km omtrek, 348 meter hoog, en een klein, uitgesleten pad aan een kant waarover je omhoog kan lopen. Die avond een korte wandeling gemaakt er een keer omheen gereden, en niet eens gewacht op de zonsondergang, het was zo bewolkt dat we toch niks zouden zien.

De eerste volle dag zijn we naar Kata Tjuta (the Olgas) gereden, waar we de hele dag gewandeld hebben. De zonsondergang was, wederom door bewolking, niet echt spectaculair, maar op de weg terug wel kamelen gezien. Er leven zo'n 300.000 kamelen in het binnenland, zoveel dat ze 2 maanden geleden er 10.000 hebben afgeschoten om de populatie in stand te houden (helaas er niks van tegengekomen in de supermarkt..). Voor vrijdagochtend stond de beklimming van Uluru in de planning. Om de beklimmers te beschermen tegen de hitte, sluiten ze de toegang om 8 uur 's ochtends in de zomermaanden. Omdat het ongeveer 50km rijden was naar onze kampeerplaats, en we ook de zonsopgang wilden zien, moesten we erg vroeg op. Helaas te laat voor de zonsopgang (die niet echt mooi was; wolken), en aangekomen bij Uluru geen enkele wandelaar te zien; wegens harde wind gesloten. Dat was balen. Als alternatief de 10km lange wandelroute om Uluru gelopen, en de dag erna nog maar een keer vroeg opstaan. Wel erg lang geluched bij een van de barbeques. 's Middags nog regen gehad; toch wel het laatste wat we verwachtte in “the Red Centre”. Het verklaarde wel waarom het nog relatief groen was; de afgelopen jaren meer regen dan normaal, waardoor er overal struiken, bomen en gras uit de grond schieten. Gelukkig was dit wel de laatste bewolkte dag, en hierna alleen nog maar 40 graden en warmer gehad.

Op zaterdagochtend hadden we meer geluk; de beklimming was open! Het was echt supergaaf om te doen. Het eerste stuk over een smal pad, een ijzeren ketting om je aan vast te houden en geen reling; gewoon honderden meters vrij stijl naar beneden. En waar de ketting eindigde waren we nog steeds ver van de top. Witte strepen op de grond gaven het pad aan, slingerend over de minst stijle stukken. Op de top was het vrij druk, maar aangezien we ongeveer de laatste waren die begonnen kwamen er na ons geen nieuwe mensen meer, dus hebben we gewacht totdat iedereen weg ging voordat we foto's gingen maken. Het uitzicht was geweldig en we zijn erg lang bezig geweest om alle foto's te maken. Na een uurtje op de top de tocht terug begonnen. In totaal zijn we ongeveer 3 uur bezig geweest, en dit was wel verreweg het gaafste van het hele National Park.

Voor het volgende deel van de trip hadden we 2 opties. We wilden Kings Canyon en the West MacDonnell ranges zien, maar om dit direct vanuit Uluru te doen betekende dat we daar moesten tanken, voor 2,05 per liter. Alternatief: tank een beetje, neem een shortcut naar Alice Springs, daar goedkoop tanken en dan rest. Met als grote voordeel dat we dan ook nog eens door het Finke National Park reden, wat op de kaart een heel klein stippellijntje was, van zo'n 100km lang. Dat was een erg makkelijke keuze; we gingen op weg naar Finke NP. Die avond gekampeerd op 80km afstand van het begin van Finke NP, halverwege Uluru en Kings Canyon. Een parkeerplaats langs de weg met de nodige backpackers in stationwagons en busjes, en in het midden een zandpaadje over een heuvel; uitdagend voor onze 4WD. Aan de andere kant van de heuvel hadden we onze prive-campground en waren we dichter bij het brandhout voor ons kampvuurtje. Nadat we de tent opgezet hadden tijd om hout te sprokkelen, the Aussie-way; met de auto door de struiken naar de dode bomen gereden, hout op het roofrack geladen en terug naar de tent. Het leven is zo veel makkelijker met een 4WD. En zo veel leuker....

De dag erna waren we aan het eind van de ochtend klaar om te vertrekken, alleen terug naar de parkeerplaats duurde wat langer dan verwacht. Naast het pad dat we de dag ervoor hadden gereden was er ook een veel betere route; dieper zand en een hogere heuvel. Tijd om onze rijvaardigheid te verbeteren. 3 Pogingen van Melanie waren te vergeefs, de top kwam in zicht maar we reden niet snel genoeg. Het lukte mij in een keer, maar was wel half doof van de angstkreten van Mel. En de jaloerze blikken van alle backpackers met bestelbusjes waren prachtig. Daarna nog 4 keer over de zelfde heuvel gereden, net zo lang geoefend totdat het Melanie ook lukte, en toen nog een keer voor de fun. En een uur later eindelijk op weg naar onze shortcut.

Het eerste deel van onze route ging over de Ernest Giles Road, een gravelroad waar aan het begin al de nodige waarschuwingen stonden. Hier hebben we alvast de banden voor een deel leeg laten lopen. De eerste afslag naar Finke NP zijn we voorbij gereden; later kwamen we er achter dat dit kwam doordat het een erg klein zandpaadje was, zonder naam en niet aangegeven. De alternatieve route hebben we wel in een keer gevonden, en al snel kwamen we bij een informatiebord met nog meer waarschuwingen: reis met meerdere auto, neem genoeg brandstof en water mee, informeer rangers, in de zomer kan het een week duren voordat je andere reizigers tegenkomt, en alleen geschikt voor mensen met veel 4WD-ervaring. Ach, we hadden die ochtend geoefend op een zandheuvel, en als het erg slecht was kunnen we altijd omkeren.

Het eerste stuk van de track was erg goed te doen, een brede zandweg waar je makkelijk 80 kon rijden, maar langzaam aan werd de weg steeds smaller, diepere kuilen, grotere rotsen op de weg, struiken en bomen dichter bij. En veel leuker en uitdagender om te rijden. Het zandpad was erg leuk om te rijden, niet moeilijk, en slechts een keer iets te hard over een heuveltje gereden (ik had het helemaal niet gezien, totdat het te laat was), waarbij ik de auto met alle wielen los van de grond kreeg en 5 meter verderop weer neerkwam. Even later werd het al snel minder leuk; veel scherpe rotsen waar je erg langzaam moet rijden om ze te vermijden. Leuk voor het eerste stuk, maar er kwam geen einde aan. Wellicht doordat we ergens een afslag gemist hadden; het bordje met de pijl hing ondersteboven doordat er een schroef doorgeroest was. Hierdoor niet langs de opgedroogde rivier, maar erdoor gereden, totdat de andere autosporen niet meer te zien waren. We waren eerst lopen op zoek gegaan naar de juiste route, en toen we deze niet konden vinden teruggereden, waar we er achter kwamen waarom we verkeerd waren gereden... Weer een uur verspild. Even later kwamen we bij de ingang van het park, terwijl we dachten dat we er al lang in waren... Gelukkig was de rest van de route beter te volgen, veel scherpe bochten, een keer een enorme stier in de bocht achter een boom, die schrok van onze auto (voor het gemak een rode...), veel zandpaadjes, heuvels. Uiteindelijk tegen 7 uur 's avonds maar een kamp opgeslagen bij een stuk van de rivier waar wel water in stond. De volgende ochtend eerst een verfrissende duik genomen, een korte wandeling gemaakt en vervolgens de andere helft van de route gereden. Doordat we niet meer verdwaalden, was het een stuk korter en kwamen we binnen 3 uur bij het dorpje aan de rand van het park aan, waar we de banden weer opgepompt hebben bij het tankstation. De rest van die dag zijn we bezig geweest om de auto op te ruimen; tijdens het stuiteren over de rotsen was het nodige verplaatst. De koelkast (van 35kg) was een paar keer los gekomen van de grond, en was vervolgens op de zak pasta geland... en op de honing... en we vonden een lege rijstzak, die de dag ervoor nog vol was... en de eieren dropen door de verpakking...

Eenmaal aangekomen in Alice Springs hebben we onze planning enigsinds aan moeten passen. We wilden alleen tanken en boodschappen doen, maar helaas moetsen we een dag langer blijven omdat we een klein probleempje met de auto hadden. In Finke NP had Melanie geprobeerd om met de auto door een boomstronk te rijden, wat haar overigens redelijk goed gelukt was, maar daarbij was de bumper een beetje losgekomen van de auto, en hing nog maar aan een paar schroeven vast (toen ze de auto kocht ontbrak er al een beugel aan een kant, en als je een kant op stuurde raakte de band de bumper...). Een garage had wel tijd, maar pas de volgende ochtend. Balen, maar het leek ons toch wel verstandig om het te laten maken. De extra dag gebruikt voor een douche en de was. De dag erna de auto laten maken, boodschappen gedaan, getankt (125 liter) en aan het begin van de middag op weg naar the West MacDonnell ranges; een heuvelachtig landschap met beschutte kloven waar altijd water te vinden is. Omdat we niet goed wisten welke Gorge het mooiste was, hebben we ze allemaal (stuk of 7) bezocht in 2 dagen tijd. Bij de meeste kon je zwemmen, wat erg welkom was bij de 40+ graden. En natuurlijk was er een kampeerplaats alleen toegankelijk voor 4WD, wat we niet konden laten. Deze keer maar een korte route, 15km van de hoofdweg, maar nog steeds met erg veel rotsen, waardoor het nog een uur kostte om er te komen. Maar nu hadden we wel een prive-campspot. 's Avonds bij het kampvuur gezeten, en toen kwamen de dingo's te voorschijn. Je kon ze de hele tijd in de verte horen lopen, maar je kon ze niet echt zien. Alleen als je met je zaklamp in het donker richting het water scheen, zag je allemaal groene ogen oplichten. Was net een horrorfilm. Gelukkig kwamen ze niet dicht bij, totdat ik in de tent lag. Het vuur was bijna uit en Melanie was net klaar met tanden poetsen, toen een paar dingo's in de verte begonnen te rennen en een of ander beest te pakken hadden. Dat ging gepaard met een gil van Melanie, en toen ik mijn hoofd uit de tent stak stond ze op het dak van de auto... Pas toen ze niks meer hoorde is ze van het dak af gesprongen en naar de tent gesprint.

Kings Canyon zelf was niet heel erg verschillend van de West MacDonnell ranges; rode rotsen met begroeiing in de kloven. En veel kleiner dan verwacht. Er was een wandelroute langs de rand van de koof, en die was in 3 uur te lopen. Halverwege kon je afdalen naar “the Garden of Eden”, een smalle strook begroeiing in een kloof met daarnaast een plas water waar je in kon zwemmen; erg verkoelend en geweldig uitzicht. CenterParks, maar dan in het echt, en zonder andere mensen. De rest van de wandeling was ook super en wat je verwacht in het binnenland; dor, droog verlaten landschap. Terug bij de auto hadden we vrijwel alles gedaan in the Red Centre wat we wilde doen, en zijn we begonnen aan de volgende etappe van de reis; op naar Margaret River, niet ver van Perth, maar het best bereikbaar langs de kust, 1000km naar het zuiden waar we 2 weken eerder vandaan kwamen....

Omdat we alles op de weg al zo'n beetje gezien hadden, was de reis terug een stuk sneller. We zijn nog een keer in Coober Pedy gestopt, niet alleen voor de brandstof en het water, maar de eerste keer waren we te laat om een mijn te bezoeken. Ook deze keer was het al bijna avond, maar de restarea op 5km afstand was ideaal, dachten we. Het was echt midden in de woestijn, beetje dorre begroeiing overal, verder alleen zand. Aan het begin van de avond niet eens zo slecht, en konden we nog een paar uur bij het kampvuur zitten. Alleen 's nachts stak de wind op. Omdat er daarvoor geen wind was, hadden we zoals gewoonlijk maar 3 haringen gebruikt om de tent op zijn plaats te houden, veel te weinig. Ze zijkanten van de tent kwamen steeds dichter bij en af en toe moesten we de hoeken op zijn plaats houden. Dus midden in de nacht de tent uit om ook maar de hoeken vast te zetten.... En weer terug in bed, maar binnen de kortse keren werd de wind nog sterker en bogen de tentstokken helemaal door bij elke windstoot. Nog een keer de tent uit, de auto aan de andere kant neergezet om de wind tegen te houden en alle scheerlijnen vastgemaakt. Ik was alleen net te laat, toen ik aan een kant bezig was brak een van de stokken in de luifel. Gelukkig bleef de rest van de tent wel op zijn plaats en konden we er nog enigsinds in slapen. Het was nog steeds een verschikkelijke nacht, de wind blies allemaal stof de tent in, en het geluid van het tentdoek hielp ook niet echt met de nachtrust. Het was echt aftellen tot daglicht en hopen dat de storm ging liggen.

Vroeg opstaan was de dag erna geen probleem. Al vroeg begonnen met de self-guided toer in een van de mijnen, waar in een uurtje tijd alles over opalen te weten zijn gekomen. Ook hadden ze er een boek over 4WD-tracks in Australia, waar we wat routes hebben uitgekozen voor de rest van de roadtrip. En daarna snel weg uit Coober Pedy.

Op weg naar Western Australia hadden we geluk; we hoefte niet het hele stuk naar Port Augusta terug te rijden. Er was een shortcut, 250km gravelroad, waarmee we ruim 400km minder hoefte te rijden. En bovendien waren er gratis douches op de route. De eerste 35km gingen al erg vlug, maar daarna werd het alleen nog maar beter. In Kingoonya, een klein plaatsje met een tankstation en de douches nog bijgetankt, de brandstof was er verbazingwekkend goedkoop, en een snelle douche genomen om Coober Pedy's horrornight van ons af te spoelen. Met een local gepraat, een van de 12 bewoners van het plaatsje. Die vertelde ons dat de weg net afgevlakt was en we in no time aan de andere kant waren. En dat was waar. Geen enkele auto op we weg, alleen een beetje wildlife, maar verder zo vlak dat het fijner reed dan de snelweg. Op sommige stukken ruim boven de 100km/h gereden, veel sneller kon de auto niet. Binnen een paar uur rijden aangekomen in Wirrulla, een klein dorpje aan de Eyre Highway, waar onze reis naar Westenr Australia begon, maar dat is voor de volgende keer.

 

SHOCK-WARNING!!!

schrik niet, maar wellicht draag ik op sommige foto's een korte broek!

 

 

 

Foto’s

3 Reacties

  1. Joris:
    23 februari 2012
    Hey Mallo,
    klinkt als een geweldige trip! je hebt echt een beetje de survivalexpert uitgehangen daar he!

    Nu wordt het toch wel weer tijd om naar huis te komen en samen een biertje te drinken:P

    Veel plezier nog
    Joris
  2. Steef:
    25 februari 2012
    Grinnik Bear Grylls is er niks bij.... :p
    Klinkt wel als de reis van je leven Neil! KOm je nog wel terug naar NL? ;)
  3. Irma:
    25 februari 2012
    hallo neefje
    eindelijk weer een levensteken van jou maar wat heb jij al veel gezien het lijkt mij allemaal geweldig.Maar we zijn blij je binnenkort weer te zien.En is je witte t shirt inmiddels ook al bruin???dikke kus irma